begrip

Maak uw keuzeBADHIJKLMNOPQRTUSVWXYZCGFE

V

 

Variabel dunnen of lichten: Dunnen en lichten waarbij men streeft naar meer ruimtelijke variatie door van plek tot plek de intensiteit van de ingreep te variŽren. Hierbij ontstaan bij lichten open plekken van verschillende grootte die verjongingsmogelijkheden geven.

 

Vegen of veegschade: Door dieren: Het schoonvegen (het ontdoen van de afgestorven huid rondom het gewei) van het gewei door een ree of hert tegen een of meer bomen of boomtakken. Door dit schuren, waarbij vooral jonge, nog buigzame bomen tussen de beide geweistangen worden genomen, kan plaatselijk de boom worden beschadigd. Door bomen: Het zwiepen van takken van bepaalde boomsoorten (met name berk, Amerikaanse eik en robinia) waardoor schade aan andere bomen ontstaat.

 

Verjongingsplek: Opening in het kronendak die groot genoeg is voor de vestiging en ontwikkeling van jonge bomen.

 

Verkoop liggend: Verkoop waarbij het hout liggend wordt aangeboden. Dit kan in verschillende vormen: geveld, gesnoeid, geschild, gestapeld of een combinatie hiervan.

 

Verkoop op stam: Verkoop van bomen staande in het bos. Hierbij zorgt de koper voor de velling, het uitslepen en het transport.

 

Verticale structuurvariatie: Gelaagdheid van het bos. Aanwezigheid en dichtheid van boom-, struik-, kruid-, en moslaag. Op kleine schaal geven verschillen in boomsoort, afmeting, dood hout en reliŽf ook variatie. Deze variatie zorgt voor verschillende niches en op deze wijze voor biodiversiteit.

 

Vezelhout: Hout waarvan bij de verwerking de oorspronkelijke structuur geheel of nagenoeg geheel verloren gaat.

 

Vitaliteit: Gezondheid van een bos of boom. Bomen zijn in te delen in klassen, zoals vitaal(1), minder vitaal (2), weinig vitaal (3) of niet vitaal (4).

 

Vlaktegewijze kap: Zie kaalkap.

 

Volhoutigheid: Men noemt een stam volhoutig als het verval gering is of anders gezegd als de dikte over de lengte weinig afneemt.

 

Vorstscheuren: Onder invloed van wintervorst ontstaan soms aan de zuid- en zuidwestzijde van het onderste gedeelte van de stam verticale spleten van verschillende lengte (soms tot 2-3 m).

 

Vrije hoogdunning: Dunning waarbij iedere keer bepaald wordt welke bomen begunstigd moeten worden. Het aantal te bevoordelen bomen is meestal hoger dan bij de toekomstbomendunning.

 

[V]